Rugkliniek trekt wereldwijd patiënten
Het zou bijna een gezegde kunnen zijn: eigenzinnig als Iprenburg. Wat hij voor elkaar wil krijgen, moet tot stand komen. Ook als de omstandigheden niet meezitten. En dus is na lange omzwervingen nu Rugkliniek Iprenburg een feit, waar hij een voor Nederland unieke techniek aanbiedt voor herniapatiënten. Volgend jaar met pensioen gaan? ‘Ik moet er niet aan denken.’
Waarom begint iemand na zijn zestigste nog aan een nieuw zorginitiatief? Het is immers de leeftijd waarop de meeste mensen al aan het afbouwen zijn, of zelfs al gestopt zijn met werken. Voor chirurgen een bekend perspectief en zeker voor orthopeden, voor wie ook het fysieke aspect van het werk een duidelijke rol speelt. Maar voor orthopeed Menno Iprenburg gelden andere normen. ‘Wat zou ik thuis gaan zitten’, zegt hij nu, 64 jaar oud, nu zijn Rugkliniek Iprenburg na een start met omwegen eindelijk nadrukkelijk uit de grondverf begint te komen. Een deel van het antwoord op de vraag waar hij aan begonnen is, ligt besloten in de rol van zijn vrouw Véronique. Hij is verantwoordelijk voor het medisch inhoudelijke deel, zij voor de zakelijke beslommeringen en de marketing. Wat ze met elkaar gemeen hebben, is de gedrevenheid.
Via omwegen
Maar het grootste deel van het antwoord is ongetwijfeld te vinden bij Iprenburg zelf. Een man die vaker aangelopen is tegen het besef dat dingen moeilijker voor elkaar te krijgen zijn dan hij vooraf bedenkt, maar die daardoor juist alleen maar vastberadener wordt om zijn doel tóch te bereiken. Dat begon al na zijn afstuderen in 1971, toen hij naar de tropen wilde. Na het doorlopen van de tropencursus reisde hij af naar Tanzania, waar hij echter niet zoals verwacht in een veredelde schuur terechtkwam, maar in een redelijk modern ziekenhuis met niet minder dan vijftienhonderd bedden. Hij leerde er veel, maar wilde negen maanden later toch echt de bush in. Dus kocht hij een terreinwagen en vertrok. En daar in die bush vond hij wel de ervaring die hij zocht. Hij bleef er tot 1976 en moest bij zijn terugkomst in Nederland constateren dat de ervaring in orthopedie die hij eerder in Duitsland had opgedaan, door de Nederlandse Orthopedie Vereniging niet als gelijkwaardig aan de Nederlandse papieren op dit gebied werd beschouwd. Dus week hij voor de afronding van zijn orthopedieopleiding uit naar de universiteitskliniek in Bonn.
Microchirurgische herniachirurgie
Het feit dat hij vervolgens 27 jaar werkzaam was in het Wilhelmina Ziekenhuis in Assen, betekent niet dat hij na zijn tropenavontuur 27 rustig voortkabbelende jaren doorbracht. Hij was founding member van de arthroscopievereniging en ging zich in de tweede helft van de jaren tachtig ook bezighouden met microscopische herniachirurgie. ‘Als je ergens als eerste mee begint, krijg je alle hulpmiddelen van de industrie’, zegt hij hierover. Dit stelde hem in staat om zich naar hartenlust uit te leven in deze toen nog nieuwe techniek. De endoscopische behandeling van het carpaal tunnel syndroom volgde, en begin jaren negentig het joint care programma van Biomet (een ketenzorgprogramma, gericht op sneller herstel van orthopediepatiënten). In de jaren daarna waren zijn dagen goed gevuld met het geven van cursussen aan artsen die dit programma ook wilden gaan toepassen. ’Ik wilde naar een werkdiscipline van ’s ochtends vijf heupen en ’s middags vijf knieën’, vertelt hij, en het stak me dat dit niet lukte. In 1994 ontstond een enorme wachtlijst voor arthroscopieën, maar toen ik voorstelde ook op zaterdag te gaan opereren en zelf de mensen en middelen hiervoor te regelen, stuitte dit op verzet van het ziekenhuis. Achteraf snap ik dat wel, ze zijn gewoon bang dat jij het beter doet.’
Nieuwe operatietechniek
De onvrede sluimerde. En in 2004 besloot Iprenburg dan ook zich te werpen op een nieuwe behandeltechniek voor hernia’s, de zogenaamde P.T.E.D.-techniek. Een techniek die herniapatiënten doorgaans in staat stelt om al twee uur na de ingreep alweer, zonder pijn in het been, te bewegen en naar huis te gaan. Hij legt uit: ‘Het is een ingreep waarvoor ik in de zij van de patiënt een sneetje van acht millimeter maak om toegang voor de endoscoop naar de hernia te bieden. De hernia kan vervolgens met speciaal hiervoor ontwikkeld instrumentarium endoscopisch worden verwijderd, onder plaatselijke verdoving. De techniek kende een behoorlijk lange leercurve en in de begintijd twijfelde Iprenburg wel eens of hij ermee moest doorgaan. Maar inmiddels is hij bijna achthonderd van dergelijke operaties verder en is hij volledig overtuigd van het feit iets unieks in handen te hebben. En daarom durfde hij het ook aan om zo laat in zijn carrière nog hiervoor een eigen kliniek op te zetten. De directe aanleiding hiertoe vormde een akkefietje waarbij hij een oudere patiënte wilde helpen, waarvoor ruimte ontstond toen een andere patiënt van die dag uit het operatieschema wegviel. ‘Maar het mocht niet’, zegt hij. ‘Stel dat ik iets meer tijd nodig had dan de tijd die er normaal voor staat. Dan zou het personeel misschien wel iets langer moeten doorwerken. De stoom kwam uit mijn oren. Ik moest weg.’
Eigen ZBC
En zo begon Iprenburg dus nog voor zichzelf, op een moment waarop de meeste van zijn collega’s al naar een heel andere horizon begonnen uit te zien. ‘Ik beheerste de techniek goed en boekte uitstekende patiëntenresultaten’, zegt hij. Met andere woorden: hij durfde het wel aan. Maar zoals altijd ging het ook in dit geval weer niet zonder slag of stoot. Hij begon eerst in een kliniek in Heerenveen en besloot daarna toch maar een eigen ZBC op te richten, om onafhankelijk te kunnen zijn. In Veenhuizen vond hij een karakteristieke locatie van het voormalige hospitaal, beheerd door de Rijksgebouwendienst en al twintig jaar leeg. De procedures, bijvoorbeeld over het weghalen van een boom die in de weg stond of het betegelen van het vloeroppervlak in het pand dat hij wilde gaan gebruiken, duurden eindeloos. En het feit dat de vloer op de plaats waar hij de OK had gedacht niet sterk genoeg was om een OK-tafel te dragen, hielp ook niet mee.
Afstand geen bezwaar
Uiteindelijk kwam echter alles voor elkaar en inmiddels is Rugkliniek Iprenburg een feit. Maar wel in Veenhuizen dus. Prachtig landelijk, daar niet van, maar nu niet bepaald middenin de bewoonde wereld. ‘Het werk dat ik op basis van die P.T.E.D.-techniek doe is dermate specifiek dat dat helemaal niets uitmaakt’, zegt hij. ‘De patiënten komen uit de meest uiteenlopende landen. Vaak komen ze al een dag voordat ze worden geholpen. En het feit dat we hier op het terrein een prachtige overnachtingsmogelijkheid kunnen bieden in een natuurrijke en rustgevende omgeving, is dan juist een voordeel in plaats van een nadeel.’ Bovendien komen patiënten heel gericht. Iedereen die door Iprenburg geholpen wil worden, vult eerst via de website een anamneseformulier in, op basis waarvan hij kan bepalen of hij iets voor hen kan betekenen. ‘Tachtig procent van de hernia’s verdwijnt spontaan binnen zes weken’, zegt hij. Een onderdeel van de beslissing patiënten al dan niet naar Veenhuizen te laten komen, vormt de beoordeling van een recente MRI-scan. Indien nodig kan de patiënt eerst een foto in een van de MRI-centra laten maken. Automatisering speelt trouwens ook op andere fronten een rol. Iprenburg heeft al in een vroeg stadium geregeld dat de facturatie en declaratie middels software goed geregeld zijn. En hij gebruikt de hedendaagse technieken – een website met een digitaal anamneseformulier – ook om de patiënt te informeren en te selecteren voor het spreekuur. Die krijgt bovendien een DVD mee naar huis van zijn eigen ingreep. En bij thuiskomst heeft hij al het operatieverslag als PDF-bestand in zijn mailbox.
Schadelastbeperking
Alles koek en ei? Dat nu ook weer niet. Toen Iprenburg de techniek nog toepaste in het ziekenhuis in Assen, werd deze door zorgverzekeraars Achmea, Menzis en Univé nog vergoed. Maar nu hij de techniek vanuit zijn eigen ZBC aanpakt, geven de eerste twee zorgverzekeraars ineens niet thuis. ‘In Nederland telt pijn niet voor de zorgverzekeraars’, zegt Iprenburg, ‘het gaat om schadelastbeperking. In de macroeconomische winst van het feit dat de patiënt met toepassing van deze techniek veel eerder weer aan het werk kan, zijn ze volstrekt niet geïnteresseerd. Wie beseft dat de ingreep 7.400 euro kost – een derde meer dan een klassieke herniaoperatie – beseft het belang hiervan. Maar het houdt de patiënten niet weg. Zij betalen de ingreep zelf, of hun werkgever of de arbeidsongeschiktheidsverzekering doet dit. Een nieuwe uitdaging brengt ook het College voor Zorgverzekeringen met zich mee. In 2002 tot en met 2006 werd de operatie nog als gebruikelijk binnen de beroepsgroep aangemerkt en voor vergoeding in aanmerking kwam, is dit sinds oktober 2006 ineens niet meer het geval. Op dit moment buigen een belangenorganisatie van ruim tachtig gedupeerden en een jurist zich over deze kwestie.
Genieten
Ontmoedigd is hij allerminst. ‘Thuisblijven en tuinieren? Ik moet er niet aan denken’, zegt hij. ‘De werksituatie hier is heel relaxed. Ik werk met een medisch team dat me volkomen vertrouwd is. En hoewel ik wel heb gekeken naar de mogelijkheid van cofinanciers, heb ik uiteindelijk toch besloten het helemaal zelf te doen. Samenwerken geeft altijd verschil van inzicht. De techniek is fysiek niet zwaar. En ik heb goede werkafspraken met twee buitenlandse collega’s die deze techniek ook kunnen toepassen: als een van ons ziek wordt, neemt de ander het over. Uiteindelijk zal ik wel op zoek gaan naar iemand die ik kan opleiden en die het vervolgens kan overnemen. Maar dat is van later zorg. Eerst gaan we de boer op bij arbeidsongeschiktheidsverzekeraars en werkgevers om de meerwaarde van de P.T.E.D.-techniek aan te prijzen, ook in financieel perspectief. En voorlopig geniet ik nog te veel van het feit dat collega’s nu uit allerlei landen komen om te kijken hoe wij hier werken. Dat is de omgekeerde wereld, want vroeger moest ik altijd naar het buitenland als ik een nieuwe techniek wilde leren.’
laatst aangepast op: 28-04-2010 om 16:44:47
